Praktijk zuster Dees
“Begeleiden, inspireren en ondersteunen zodat leerlingen en stagiaires met zorg en aandacht het verschil maken voor ouderen.”
28/07/2026
Operatie: Douchen of Niet Roken?
Op iedere afdeling heb je er wel één: een bewoner die vindt dat do**hen een zwaar overschat concept is. Water was volgens deze meneer blijkbaar alleen bedoeld om koffie mee te zetten. Hoe langer hij niet onder de do**he hoefde, hoe gelukkiger hij leek. Drie weken overslaan? Daar draaide hij zijn hand niet voor om… al waren die handen inmiddels pikzwart.
Je rook meneer eerder dan je hem zag. De geur kwam hem steevast een paar meter vooruit. Nieuwe collega’s keken verbaasd om zich heen of er ergens een gaslek was. Bezoekers hielden hun bezoekjes opvallend kort en zelfs de kamerplanten leken het langzaam op te geven.
Zijn handen waren zwart van de ni****ne en vuil. “Ik heb me pas nog gewassen,” zei hij steevast. Dat zou best kunnen… alleen niemand wist meer precies in welke maand dat was geweest.
Praten hielp niet. Uitleggen hielp niet. Smeken hielp niet. Douchen was volgens meneer simpelweg niet nodig.
Toen moesten we een grens trekken. Een harde maatregel misschien, maar soms ontkom je er niet aan als iemand zichzelf ernstig vervuilt en de leefomgeving voor anderen onaangenaam wordt. De afspraak werd duidelijk: eerst do**hen, daarna pas een sigaret.
Dat leverde een discussie op waar menig advocaat nog een flinke kluif aan zou hebben.
“Dat kunnen jullie niet maken!”
“Misschien niet,” antwoordden wij, “maar drie weken niet do**hen kunnen we óók niet maken.”
Mopperend verdween meneer uiteindelijk richting badkamer. Even later kwam er een totaal andere man weer naar buiten. Fris gekamd, schone kleding, schone handen en een kamer waar je weer zonder gevaar naar binnen kon lopen.
Na wat onderhandelen kwamen we uiteindelijk tot een compromis waar iedereen zich in kon vinden: minimaal één keer per drie dagen do**hen. Geen dagelijkse strijd, geen weken meer overslaan en weer een leefbare situatie voor zowel meneer als zijn medebewoners.
Soms voelt een duidelijke grens streng. Maar goede zorg betekent ook dat je iemand helpt wanneer hij dat zelf niet meer ziet. En heel soms is een beetje gezonde dwang precies wat nodig is om samen tot een oplossing te komen.
En het mooiste? Die sigaret na afloop… die smaakte volgens meneer nog nooit zó lekker 💙
21/07/2026
De Bonenbrigade van Meneer Jan
Iedere afdeling heeft wel een bewoner die beroemd is.
De één vertelt iedere dag dezelfde moppen.
De ander vraagt ieder kwartier hoe laat de bus vertrekt.
En dan had je Meneer Jan.
Meneer Jan had een neus voor eten waar een speurhond nog iets van kon leren. Nog voordat de aardappelen waren afgegoten, wist hij precies waar ze stonden. Een boterham die heel even onbeheerd op tafel lag? Weg. Een bakje vla dat iemand nog even wilde bewaren? Verdwenen. Een koekje op de koffiekar? Alsof het nooit had bestaan.
Bewoners hielden hun bord soms steviger vast dan hun rollator.
“Zuster… hij heeft mijn gehaktbal weer gejat!”
En eerlijk is eerlijk… ook wij werden er soms wanhopig van. Want hoe leg je voor de vierde keer uit dat iemands toetje opnieuw een mysterieuze eindbestemming had gekregen?
Maar de absolute topdag van de maand?
De Chinees.
Waar andere bewoners al dagen uitkeken naar een bakje bami of nasi, zag Meneer Jan het als een nationale sport. Zodra de deksels van de warmhoudbakken opengingen, dook hij er bijna bovenop. Nog net niet met zijn hoofd ín de satésaus.
“Alle saté is voor mij!”
Alsof hij persoonlijk de eigenaar van het Chinese restaurant was. Personeel stond links, bewoners rechts en midden in de chaos stond Meneer Jan zijn saté veilig te stellen. Het leverde soms taferelen op waar je achteraf om kon lachen, maar op dat moment vooral heel veel improvisatie vroegen.
Na veel mopperen, corrigeren en opnieuw uitleggen besloten we iets anders te doen. Niet langer alleen kijken naar het gedrag, maar naar het verhaal achter de man.
De familie was klein, maar vertelde iets wat ons allemaal stil maakte.
Als kind was Meneer Jan jarenlang mishandeld door zijn vader. Eten was schaars. Honger hoorde bij zijn dagelijks leven. Wilde hij iets eten, dan moest hij het stiekem pakken voordat iemand anders hem voor was. Niet omdat hij ondeugend was, maar omdat hij simpelweg probeerde te overleven.
Ineens zagen we geen man die eten afpakte.
We zagen een klein jongetje dat diep van binnen nog altijd bang was dat er morgen niets meer zou zijn.
En dat veranderde onze blik.
In plaats van hem steeds weg te sturen uit de keuken, nodigden we hem juist uit.
Voortaan hielp Meneer Jan met de voorbereidingen van de maaltijd. Boontjes breken. Bloemkool wassen. Aardappelen controleren. Groenten schoonmaken. Tafel dekken.
Hij straalde.
Hij voelde zich belangrijk.
En terwijl zijn handen druk bezig waren met helpen, hoefden ze veel minder op zoek naar het bord van een ander.
Is het helemaal verdwenen?
Nee.
Heel af en toe verdwijnt er nog steeds op onverklaarbare wijze een koekje, een plakje kaas of… tijdens de maandelijkse Chineesavond een verdwaald stokje saté. Sommige gewoontes zijn na een heel leven nu eenmaal hardnekkig.
Maar het verschil is enorm.
Soms zit de oplossing niet in strenger zijn of beter opletten.
Soms begint de oplossing met één eenvoudige vraag:
“Wat is er ooit gebeurd waardoor iemand dit gedrag is gaan vertonen?”
Want achter gedrag dat lastig lijkt, schuilt soms een verhaal dat niemand ooit heeft gehoord.
En als je dat verhaal eenmaal kent, kijk je niet meer naar iemand die eten steelt.
Dan zie je vooral een kind dat ooit honger heeft gehad.
14/07/2026
Zuster Dees en het Potje Muggenvet
Het was weer zo’n gezellige ochtend op de PG-afdeling. De bewoners zaten tevreden aan de koffie, de collega’s waren druk in de weer en stagiaire Sarah liep enthousiast achter iedereen aan om zoveel mogelijk te leren.
Nou, dacht ik als Zuster Dees, het is tijd dat Sarah kennismaakt met een eeuwenoude traditie die in vrijwel elk vak voorkomt.
“Saar,” zei ik heel serieus, “we hebben een probleem. Er zijn de laatste tijd wat muggen gesignaleerd. Zou jij even een potje muggenvet voor me kunnen halen?”
Sarah keek geen moment vreemd op.
“Natuurlijk, zuster Dees!”
En daar ging ze.
Eerst naar de buurafdeling.
“Hebben jullie misschien een potje muggenvet?”
Collega’s keken heel ernstig.
“Nee Sarah, volgens mij heeft afdeling B er nog eentje.”
Dus Sarah naar afdeling B.
“Helaas, net op. Misschien bij de somatiek.”
En zo begon haar grote zoektocht.
Van afdeling naar afdeling, van teamleider naar teamleider. Overal werd begripvol geknikt. Overal werd ze vriendelijk doorgestuurd. Ondertussen hadden de afdelingshoofden natuurlijk allang een berichtje van mij gehad.
“Let op: Sarah zoekt muggenvet. Niet verklappen.”
Na een flinke ronde door het hele gebouw kwam Sarah uiteindelijk terug.
Een beetje buiten adem.
Een beetje verward.
Maar vooral vastberaden.
“Zuster Dees… ik heb echt overal gevraagd…”
Ik keek haar ernstig aan.
“En?”
Toen begon er langzaam een lampje te branden.
Ze keek naar mij.
Ik keek naar haar.
De collega’s keken nieuwsgierig mee.
En ineens riep ze:
“Jullie nemen me in de maling!”
De afdeling barstte in lachen uit.
Gelukkig kon Sarah er zelf minstens zo hard om lachen als wij. Sterker nog, toen haar vader haar later kwam ophalen en het verhaal hoorde, schoot hij ook direct in de lach.
“In de bouw doen we dat ook,” vertelde hij. “Dan sturen we iemand op pad voor een doosje luchtbellen of een emmer compressie.”
Sarah kon alleen maar lachen.
En zo werd ze die dag niet alleen wijzer in de zorg, maar leerde ze ook een belangrijke les die in elk beroep geldt:
Als iemand je heel serieus op pad stuurt voor muggenvet, vraag dan eerst even of er misschien een Zuster Dees in de buurt is. 😄
Zuster Dees 💙
07/07/2026
Gewoon weer aan het werk…
Meneer Van den Berg is 97 jaar en schilder in hart en nieren. Officieel is hij al heel wat jaartjes met pensioen. Maar vraag het hem zelf en je krijgt waarschijnlijk een verbaasde blik. Pensioen? Daar heeft hij nog nooit van gehoord. Hij moet gewoon aan het werk.
En dus gaat hij iedere ochtend met dezelfde overtuiging op pad. Want een schilder heeft een verantwoordelijkheid. Er wachten immers muren die geschilderd moeten worden.
Gelukkig weet Zuster Dees precies hoe belangrijk dat voor hem is.
Nog voordat de dag echt begint, zet ze trouw een pot met water en een kwast klaar. Niet met verf, want dat zou hier misschien wat té enthousiast uitpakken, maar met water. Op een speciaal daarvoor bestemde muur kan meneer Van den Berg vervolgens heerlijk zijn vak uitoefenen.
Met volle concentratie gaat hij aan de slag. Geen stukje wordt overgeslagen. Hij inspecteert zijn werk, zet nog een paar extra halen en knikt tevreden. De muur ziet er weer piekfijn uit.
Het mooie is: tegen de volgende ochtend is het water opgedroogd en kan de klus gewoon opnieuw beginnen.
Het is misschien wel de enige baan ter wereld waarbij je elke dag precies dezelfde muur schildert, nooit verf hoeft te bestellen, nooit hoeft af te plakken en de klant altijd tevreden is.
En eerlijk is eerlijk… er zijn schilders die minder dankbare opdrachten hebben gehad.
Maar achter die glimlach en die kleine grap schuilt iets veel groters.
Want wat wij zien is geen man die “in de war” is. Wij zien een vakman die zijn hele leven hard heeft gewerkt. Iemand voor wie werken niet alleen een beroep was, maar een deel van zijn identiteit. Als je bijna een eeuw hebt geleefd, verdwijnen herinneringen soms langzaam. Maar dat gevoel van verantwoordelijkheid, trots en vakmanschap… dat blijft.
Door hem iedere ochtend zijn “werk” te laten doen, geven we hem veel meer dan een kwast. We geven hem structuur. Eigenwaarde. Herkenning. Een reden om zijn bed uit te komen. En vooral het gevoel dat hij er nog steeds toe doet.
Soms denken mensen dat goede zorg bestaat uit ingewikkelde handelingen of dure hulpmiddelen.
Maar soms past goede zorg gewoon in een pot water.
Een kwast.
Een muur.
En een zorgverlener die bereid is even mee te stappen in de belevingswereld van iemand anders.
Want uiteindelijk draait liefdevolle zorg niet om iemand steeds terug te halen naar onze werkelijkheid.
Soms is het veel mooier om heel even met hen mee te gaan naar die van hen.
En als je dan ziet hoe meneer Van den Berg na afloop met een trotse glimlach zijn “werkdag” afsluit, weet je één ding zeker:
Vandaag is er weer een muur prachtig geschilderd.
En vooral… vandaag heeft een 97-jarige vakman zich weer even precies gevoeld wie hij altijd is geweest.
“Soms zit het grootste geluk niet in wat we doen, maar in hoe we iemand laten voelen. 💙”
30/06/2026
De Rookzuster
Op sommige afdelingen hangt een dagplanning aan de muur.
Bij ons leeft hij in de hoofden van het team.
Koffie.
Lunch.
Activiteit.
En... roken.
Want structuur is hier geen luxe.
Sommige bewoners hebben een brein dat de rem onderweg een beetje is kwijtgeraakt. Een gedachte wordt een actie. Een wens wordt een behoefte. En een behoefte laat zich niet zomaar wegsturen.
Zo ook bij Piet.
Niet zijn echte naam natuurlijk.
Piet hield van sigaretten.
Laten we zeggen... behoorlijk veel.
Als sigaretten een spaarkaart hadden gehad, was hij allang VIP-klant geweest.
Toen Piet bij ons kwam wonen, gingen we samen met hem en zijn mantelzorger op zoek naar een oplossing.
Want eigen regie blijft belangrijk.
Ook als je geheugen af en toe besluit een vrije dag te nemen.
Onze eerste oplossing was eenvoudig.
Een heel pakje sigaretten aan het begin van de dag.
Met een briefje erop:
"Piet, hier zitten twintig sigaretten in. Hier moet je de hele dag mee doen."
Op papier was het een uitstekend plan.
In de praktijk hield het pakje het ongeveer net zo lang vol als een schaal bitterballen op een verjaardag.
Dus bedachten we iets nieuws.
Geen heel pakje meer.
Maar vaste rookmomenten, verspreid over de dag.
En daar hoorde een nieuwe functie bij.
Tenminste... zo voelde dat.
De rookzuster.
Niet officieel natuurlijk.
Maar wel onmisbaar.
Bij iedere overdracht werd benoemd wie die dag de rookzuster was.
Dat gaf rust.
Overzicht.
En duidelijkheid.
Ze droeg zelfs een felroze keycord met in zwarte letters:
ROOKZUSTER.
Alsof het een officiële functie was.
En eerlijk...
Dat was het eigenlijk ook.
Zij hield bij wanneer Piet zijn sigaretten kreeg, hoeveel er nog over waren en wanneer de volgende aan de b***t was.
Samen met Piet maakten we ook een eenvoudig schema.
Een papiertje waarop precies stond wanneer hij zijn sigaret kreeg.
Dat papiertje werd misschien wel onze beste collega.
Want als Piet weer vriendelijk vroeg:
"Mag ik een sigaretje?"
Hoefden wij niet steeds opnieuw te zeggen:
"Nee Piet, nog niet."
We wezen gewoon naar het papiertje.
"Kijk eens Piet... wat staat daar?"
Dan keek hij.
Las de afspraak.
En meestal was dat genoeg.
Niet omdat hij zich ineens herinnerde wanneer hij voor het laatst had gerookt.
Maar omdat het papiertje hem hielp met iets wat zijn eigen brein even niet meer kon.
Dat voelde veel prettiger.
We hoefden hem niet telkens teleur te stellen.
We hielpen hem terug naar een afspraak die we samen hadden gemaakt.
Tenminste...
Dat dachten we.
Want we waren één klein detail vergeten.
Piet woonde niet alleen.
Andere bewoners rookten ook.
En hadden óók sigaretten.
En vooral...
Een hart dat vaak groter was dan hun geheugen.
"Ach jongen... hier heb je er nog eentje."
Binnen een paar dagen ontstond er een complete ondergrondse sigaretteneconomie.
Wij telden.
Piet verzamelde.
Wij maakten afspraken.
Piet bouwde een netwerk.
En eerlijk is eerlijk...
Daar was hij verrassend goed in.
Toen viel eindelijk het kwartje.
Het ging helemaal niet over sigaretten.
Het ging over een brein dat niet meer altijd kan stoppen bij "genoeg".
En juist daarom zijn structuur en voorspelbaarheid zo belangrijk.
Niet om iemand te beperken.
Maar om hem houvast te geven.
Piet vraagt nog steeds weleens om een sigaret.
Soms vijf minuten nadat hij er één heeft gehad.
Soms terwijl er nog één tussen zijn vingers zit.
Dan wijzen we niet naar onszelf.
Maar naar het papiertje.
En heel soms naar het roze keycord.
Want de afspraak is niet van ons.
Die is van ons samen.
Misschien is dat wel de mooiste les die Piet ons gaf.
Goede zorg zit niet in honderd keer "nee" zeggen.
Goede zorg zit in een manier vinden waarop iemand zich gehoord voelt, zonder telkens teleurgesteld te worden.
En dat is precies waarom de rookzuster nooit echt over sigaretten ging.
Ze ging over rust.
Over duidelijkheid.
Over samenwerken.
En vooral...
Over Piet.
23/06/2026
De wonderbaarlijke verdwijning van de blinde darm
Een aantal jaren geleden hadden wij in het verpleeghuis een stagiaire die over een bijzonder talent beschikte. Hij kon namelijk over werkelijk alles een verhaal vertellen. Kleine verhalen, grote verhalen, indrukwekkende verhalen… alleen hadden ze één klein nadeel: ze waren meestal niet waar.
In het begin waren het onschuldige dingen.
Hij had zogenaamd een marathon gelopen.
Hij kende bekende mensen.
Hij sprak allerlei talen.
Ach, iedereen heeft zo zijn eigenaardigheden, dachten wij.
Tot op een dag de Grote Blindedarm Saga begon.
Hij verscheen op de afdeling met een hand op zijn buik en een gezicht alsof hij rechtstreeks uit een ziekenhuisserie was weggelopen.
“Au… mijn buik…”
De eerste dag leefde iedereen mee.
De tweede dag ook.
Maar de dagen werden weken.
Twee weken lang liep hij steunend, kreunend en zuchtend over de afdeling. Bukken ging niet. Tillen ging niet. Een bed opmaken was bijna een medische uitdaging. Collega’s namen steeds vaker zijn werkzaamheden over.
“Laat mij maar even zitten,” zei hij dan met een pijnlijk gezicht.
“De buikpijn speelt weer op.”
Na twee weken kwam het grote nieuws.
Hij moest geopereerd worden aan zijn blinde darm.
Natuurlijk wensten wij hem allemaal veel sterkte en een voorspoedig herstel.
Twee weken later verscheen hij weer op stage.
Maar van een voorspoedig herstel leek nog weinig sprake.
Hij deed opnieuw heel rustig aan.
Heel rustig.
Misschien zelfs olympisch rustig.
Opstaan deed pijn.
Lopen deed pijn.
Zitten deed pijn.
Waarschijnlijk deed ademhalen ook pijn, maar dat hebben we nooit nagevraagd.
Opnieuw namen collega’s veel werk van hem over. Iedereen wilde immers rekening houden met iemand die zo’n operatie had ondergaan.
Op een middag besloot Zuster Dees eens te gaan kijken hoe het met hem ging.
“Hoe gaat het nu met je?”
“Ach…” zuchtte hij. “Het herstel valt best tegen.”
Ik knikte begripvol.
“En hoe gaat het met het litteken?”
Nog voordat zijn hersenen overleg konden voeren met zijn mond, trok hij reflexmatig zijn shirt omhoog.
En daar zag ik…
niets.
Geen litteken.
Geen wond.
Geen pleister.
Geen verkleuring.
Geen krasje.
Zelfs geen verdwaalde muggenbeet.
Gewoon een compleet ongeschonden buik.
Ik keek nog eens.
Hij keek ook.
Ik keek weer.
Hij begon zichtbaar zenuwachtig te worden.
“Waar zit het litteken precies?” vroeg ik.
Zonder één seconde na te denken antwoordde hij:
“Dat komt door de speciale toverzalf van het ziekenhuis.”
“De wat?”
“Toverzalf. Daarmee verdwijnen littekens helemaal.”
Er viel een korte stilte.
Toen zei ik:
“Daar moet je onmiddellijk patent op aanvragen. De farmaceutische industrie zal miljarden betalen voor zo’n uitvinding.”
Tot mijn verbazing begon hij daar serieus op in te gaan. Hij legde uitgebreid uit hoe bijzonder die zalf was en hoe snel littekens daardoor verdwenen.
In de verte zag ik collega’s wegkijken om niet in lachen uit te barsten.
Later die dag hadden we zijn evaluatiegesprek.
Daar werd het verhaal toch iets moeilijker vol te houden.
Na enig doorvragen gaf hij uiteindelijk toe dat de operatie nooit had plaatsgevonden.
Sterker nog, hij gaf toe dat hij vaker dingen verzon.
Sommige mensen verzamelen postzegels.
Hij verzamelde alternatieve werkelijkheden.
Wij hebben hem die dag vriendelijk geconfronteerd met zijn gedrag. Daarna hebben we afscheid van hem genomen en hem veel succes gewenst met zijn verdere loopbaan.
Maar het verhaal eindigt daar niet.
Want heel af en toe kom ik hem nog tegen.
Niet in een ziekenhuis.
Niet in een verpleeghuis.
Maar in de supermarkt waar ik op zaterdag mijn boodschappen doe.
Het is elke keer weer hetzelfde.
Ik zie hem al van een afstand.
Hij ziet mij ook.
En vervolgens begint Operatie Ontwijking.
Ineens moet hij dringend een ander gangpad in.
Of hij staat minutenlang de ingrediënten van een pak hagelslag te bestuderen.
Soms lijkt hij een onverwachte belangstelling te hebben voor kattenbrokken, terwijl hij volgens mij niet eens een kat heeft.
Eén keer zag ik hem zelfs half verdwijnen achter een toren van wc-papier alsof hij deelnam aan een geheim getuigenbeschermingsprogramma.
Ik groet altijd vriendelijk.
Hij knikt dan terug met een glimlach die ongeveer even ontspannen oogt als zijn zogenaamde herstelperiode.
En eerlijk gezegd?
Van binnen moet ik daar altijd een beetje om lachen.
Niet omdat hij ooit heeft gelogen over die blindedarmoperatie.
Maar omdat hij waarschijnlijk nog steeds denkt dat wij daar ooit echt in geloofden.
Terwijl wij allang weten dat de enige werkelijk spectaculaire medische prestatie uit die periode de wonderbaarlijke verdwijning van zijn complete operatielitteken was.
Met dank aan de legendarische toverzalf van het ziekenhuis.
Mocht die ooit op de markt komen, dan koop ik direct een potje.
Al is het alleen maar om te kijken of hij er ook gênante herinneringen mee kan laten verdwijnen. 😄
16/06/2026
Zuster Dees en de bevalling van de eeuw
Nachtdienst op de PG. Zo’n nacht waarin je denkt: mooi, rustig dienstje, kopje koffie erbij en af en toe een rondje lopen.
Nou… dat liep anders.
Rond een uur of drie hoor ik een mevrouw van 82 hartverscheurend huilen. Ik schiet haar kamer binnen en daar ligt ze in bed, volledig in paniek.
“Zuster! Het is begonnen! Ik moet bevallen!”
Ik keek haar aan. Zij keek mij aan.
Ik keek nog even naar haar geboortedatum op de deur.
82 jaar.
Tja, in de PG leer je al snel dat discussiëren weinig zin heeft.
Dus ik zette mijn beste verloskundige-gezicht op en zei:
“Rustig maar mevrouw, ik ben bij u. We gaan dit samen doen.”
Vanaf dat moment veranderde ik spontaan van verzorgende in vroedvrouw. Waar mijn diploma gebleven was wist ik niet, maar blijkbaar had ik ineens jaren ervaring.
Mevrouw begon te puffen.
Ik begon mee te puffen.
Mevrouw kneep in mijn hand.
Ik begon mijn levenskeuzes te heroverwegen.
“Ik kan niet meer!” riep ze.
“Jawel mevrouw, u kunt dit!” riep ik terug, alsof ik rechtstreeks uit een aflevering van een ziekenhuisserie was gestapt.
Na een tijdje vroeg ze bezweet:
“Zie je het hoofdje al?”
Ik keek naar het dekbed.
“Eh… ja hoor! Volgens mij heeft ze haar moeders ogen.”
Nog een paar denkbeeldige persweeën later was het zover.
“Gefeliciteerd mevrouw!” zei ik enthousiast. “Het is een meisje!”
De opluchting was enorm.
“Een meisje?” vroeg ze ontroerd.
“Ja, een prachtige gezonde dochter.”
“Wat weegt ze?”
Dat vond ik een lastige.
“Ongeveer… drie kilo liefde en een halve kilo eigenwijsheid.”
Mevrouw glunderde.
“Mag ik haar even zien?”
Ik pakte heel professioneel een denkbeeldige baby uit het luchtledige en legde haar zogenaamd in haar armen.
“Wat is ze mooi,” fluisterde mevrouw.
Ik knikte plechtig naar een baby die alleen wij konden zien.
Na een tijdje sliepen moeder en dochter tevreden.
De volgende ochtend kom ik de huiskamer binnen.
Mevrouw zit rustig aan haar boterham met kaas.
Ze kijkt me vriendelijk aan.
“Goedemorgen zuster.”
“Goedemorgen mevrouw.”
“Rustige nacht gehad?”
Ik moest mezelf echt beheersen.
Rustige nacht?
Mevrouw… een paar uur geleden heb ik een complete bevalling begeleid, een dochter ter wereld geholpen, kraamzorg verleend en was ik opa, oma én verloskundige tegelijk.
Maar ik glimlachte gewoon.
“Ja hoor mevrouw, prima nacht.”
Ze nam een slokje thee en zei:
“Mooi zo.”
En dat was het.
De baby was spoorloos verdwenen, de bevalling vergeten en ik was de enige die wist dat er die nacht op de PG een kerngezonde dochter was geboren.
Soms vraag ik me af waar al die denkbeeldige baby’s blijven.
Waarschijnlijk hebben ze samen een eigen PG-afdeling ergens in een parallel universum 💙💙
09/06/2026
De Magie van het Uniform
Sommige problemen los je op met een zorgplan.
Sommige met een multidisciplinair overleg.
En sommige...
met een kledingwissel.
Op onze afdeling woonde ooit een meneer die elke ochtend wakker werd met één duidelijke missie.
Niet wassen.
Niet aankleden.
Niet ontbijten.
Nee.
Flirten.
Al was flirten eigenlijk niet eens het juiste woord.
Soms bleef het bij een compliment.
Soms bij een knipoog.
Maar regelmatig ging het een stap verder.
Dan vonden zijn handen ineens een eigen routeplanner.
Of probeerde hij een zorgverlener wat dichterbij te trekken. Soms werden er borsten aangeraakt.
En er kwamen met enige regelmaat verzoeken voorbij waarvan zelfs de koffie spontaan koud werd.
Voor onze leerlingen was dat soms best ingewikkeld.
Want hoe reageer je daarop?
Je wilt vriendelijk blijven.
Respectvol blijven.
Je wilt niet de hele dag alleen maar "nee" verkopen.
Maar je wilt ook duidelijk zijn over wat wel en niet kan.
Niet omdat meneer bewust grenzen wilde overschrijden.
Maar omdat zijn niet-aangeboren hersenletsel soms een heel andere versie van hem liet zien dan de man die hij vroeger was.
Remmingen verdwenen.
Impulsen kregen vrij spel.
En waar de meeste mensen nog een interne verkeersregelaar hebben die zegt:
"Dat kun je beter niet doen..."
was die bij meneer soms even niet bereikbaar.
Dat maakte het gedrag niet minder lastig.
Maar wel beter te begrijpen.
Alsof hij iedere ochtend opnieuw auditie deed voor de Nederlandse versie van The Bachelor: Verpleeghuis Editie.
En hij was ambitieus.
Heel ambitieus.
Iedere zorgverlener die zijn kamer binnenkwam kreeg een compliment, een versierpoging of een voorstel waar de gemiddelde HR-afdeling spontaan een extra protocol voor zou schrijven.
"Wat zie jij er leuk uit."
"Heb jij een vriend?"
"Kom eens wat dichterbij."
En soms een opmerking waarvan je dacht:
Zo meneer...
die kwam niet uit het activiteitenprogramma.
Dus deden we wat zorgverleners altijd doen.
We leidden af.
Gebruikten humor.
Gaven grenzen aan.
Veranderden van onderwerp.
Boden koffie aan.
Leiden nóg eens af.
En hoopten uiteindelijk dat iemand van de activiteitenbegeleiding hem ergens enthousiast voor kreeg.
Het werkte allemaal een beetje.
Maar niet genoeg.
Tot iemand iets opviel.
Meneer kwam uit een generatie waarin een zuster nog een zuster was.
Met een uniform.
Met gezag.
Met respect.
En vooral met een uitstraling van:
Jij gaat nu gewoon luisteren.
Dus besloten we iets te proberen.
We trokken tijdens de zorg een klassiek zusteruniform aan.
Geen toneelstuk.
Geen verkleedfeest.
Geen historische re-enactment van een ziekenhuis uit 1963.
Gewoon een herkenbaar beeld uit zijn verleden.
En het resultaat?
Alsof iemand op een onzichtbare afstandsbediening op de knop "netjes gedrag" had gedrukt.
De flirtmodus verdween.
De versierpogingen stopten.
De opmerkingen hielden op.
Ineens zat er geen charmeur meer voor ons.
Maar een keurige meneer.
Alsof ergens diep in zijn geheugen een oud laatje openschoof.
Een laatje met regels.
Met normen.
Met respect.
Met:
Bij een zuster gedraag je je.
Punt.
Ik zie het nog voor me.
Wij stonden daar wekenlang ingewikkelde zorginterventies te bedenken.
Meneer dacht waarschijnlijk:
"Oh wacht."
"Een zuster."
"Dan moet ik mij gedragen."
"Had dat dan meteen gezegd."
En dat is misschien wel het mooiste aan werken in de ouderenzorg.
Soms zoeken we oplossingen in nieuwe methodes.
Nieuwe inzichten.
Nieuwe protocollen.
Terwijl de oplossing soms al tientallen jaren ergens in iemands geheugen ligt te wachten.
Onder een laagje levenservaring.
Naast de trouwfoto's.
En vlak bij het vakje waar ook de woorden staan:
"Niet brutaal zijn tegen de zuster."
Ergens hangt dat uniform nog steeds.
Niet omdat het moet.
Maar omdat het ons eraan herinnert dat goede zorg soms begint met creativiteit.
En omdat het officieel het enige kledingstuk is dat ooit meer resultaat opleverde dan drie vergaderingen, twee zorgplannen en een multidisciplinair overleg van anderhalf uur.
Klik hier om uitgelicht te worden.
Adres
Schiedam
3114
05/07/2026